Chamonix 1978

Skivakantie

Geschreven door: | Gepost op: | Categorie:

Vrieeend,

Kerst nadert en ik voel de aandrang om nog eens een oude familiegeschiedenis te vertellen, een verhaal dat elk jaar wat wordt aangedikt. Maar dat hoort zo bij een goed familieverhaal. Het gaat over een reis en met een beetje verbeelding kan je de geest van Jozef en Maria die met hun ezeltje naar Jeruzalem trokken, maar strandden in een stalletje te Bethlehem, ook in dit verhaal ontwaren.

Het was in het najaar van 1978 dat mijn vader besloot om de familiebanden met zijn nichtje uit Parijs wat aan te halen. Je moet weten, Lengelers zijn dun gezaaid. Sla de telefoongids open en je vind mijn broers en zussen, en misschien nog een paar verre of nabije verwanten, maar dan heb je het wel gehad. Vader was enig kind, we moesten het van die kant vooral doen met tante nonnekes en dat zijn niet de meest vruchtbare gebieden als het op nakomelingschap aankomt. Vaders tante Rozeke ontsnapte aan het kloosterleven door na de oorlog met een Franse soldaat te trouwen en hem te volgen naar Parijs. Ze kregen één dochter: Yvette, mijn vaders Franse nichtje. Mijn vader en Yvette waren, beiden enig kind zijnde, een beetje als verre broer en zus en probeerden over de grenzen heen toch wat contact te houden. Wij, de vijf kinderen Lengeler, kenden Yvette en haar man Max, die een geslaagd tandchirurg was met praktijk aan de Porte d’Italie, en hun twee kinderen Isabelle en Olivier, enkel van de sporadische familiebezoekjes waarop wij node aanwezig moesten zijn. Wij verstonden geen woord Frans in die tijd en zaten daar in ons zondags kostuum steeds een beetje voor spek en bonen te luisteren naar de “oelalah’s” en de “mon cher cousin’s” die heen en weer uitgewisseld werden. Tussen ons en de Parijse kindjes bestond er slechts een pijnlijk zwijgen en wat schaapachtig lachen naar mekaar. Voor de rest verdreven wij de tijd met ongemakkelijk op onze stoelen schuiven en diep geconcentreerd taart eten tot het verlossende ‘Kom, we moeten nog ver rijden, het is tijd om naar huis te gaan’, klonk.

Het was op één van die reünies dat het noodlot toesloeg. Yvette en Max moeten heroïsche verhalen hebben verteld over hun skivakanties en ‘il faut que vous venez tous avec nous la prochaine fois, disons pour fêter Noël ensemble. Le Mont Blanc sous la neige, mon cher cousin, c’est comme la dentition éclatante de Brigitte Bardot, soignée avec une dentifrice blanchissante’. Tja, die Parijzenaars kunnen het wel zeggen hé. Mijn vader trapte met open ogen in de val en boekte reeds de maandag erop, wild fantaserend over het schitterend gebit van BB, kamers in een hotel te Chamonix. Voor de week van 24 december. In volle topseizoen.

Een week later greep moeder de chequeboek uit de schuif en nam haar kroost mee naar de Innovation om een uitrusting te gaan kopen. ‘Bon, wat hebben we nodig om niet in affronten te vallen in een mondain ski-oord als Chamonix? We mogen niet onderdoen voor Max en Yvette. Vooreerst ski-pakken, broeken en jassen. Bergschoenen ook natuurlijk. En euh... moonboots voor de après-ski. Mutsen! Heeft iedereen nog een warme muts? Neen? En wanten? Warme kousen? Dikke pull-overs hebben we ook nodig. Och, ik zou het nog vergeten, sjaals. En oorverwarmers, dat komt ook altijd van pas. Zou ik voor mezelf niet eens een nieuwe palto kopen?’ Alles maal zes, want mijn oudste zus had weten te ontsnappen en ging niet mee. Anders was het maal zeven geweest. Ik laat het je zelf uitrekenen, maar ik denk dat we er die dag een flink maandloon plus vaders eindejaarsbonus hebben doorgedraaid.

De weken die daarop volgden verliepen in een koortsige sfeer. Vader zagen we niet veel. De mens draaide waanzinnige overuren en verkocht wat kasbons met verlies om alles toch maar te kunnen bekostigen. Inmiddels leefden wij in onze kinderlijke naïviteit echt naar onze eerste ski-vakantie toe, droomden ‘s nachts dat we tegen hoge snelheid door malse sneeuw gleden, van hoge schansen sprongen, dat we met ski-scooters door onontgonnen terrein scheurden en dat we indruk maakten op het schoon vrouwvolk tijdens die mythische après-ski’s waarover wij al zoveel hadden gehoord. Er werd op school flink gestoeft tegen de vriendjes en wij meenden dat heel de familie stikjaloers was op ons. Het moment van vertrek moet ik dan ook omschrijven als een gezwollen climax van zeer hooggespannen verwachtingen. Onze oude tweedehandse sneeuwwitte (!) Peugeot 504 Break Familale werd voorzien van zijn porte-bagage en kreunde onder het gewicht van onze uitpuilende valiezen die wij twee hoog op het dak bonden. Ook binnen werd de schaarse ruimte optimaal benut met kleine zakjes handbagage, en onze ouwe trouwe frigobox die zijn nut al zovele reizen had bewezen kreeg zijn vaste stek aan de voeten van ons moeder.

We vertrokken richting Parijs in het holst van de nacht van drieëntwintig december om de volgende ochtend in Chamonix meteen de latten onder onze voeten te kunnen binden. Je vraagt je nu misschien af waarom we naar de Franse Alpen reden via Parijs, toch een aanzienlijke omweg? Welaan, in 1978 moest dat zo en daarbij, in de winter neem je best geen secundaire wegen als je veilig én tijdig op je bestemming wil raken. De autosnelweg over Luxemburg bestond nog slechts in de fantasie van een enkele visionair. Naar Parijs dus.

De eerste uren in de wagen verliepen ietwat “broeierig”. We hadden namelijk allemaal onze egaal blauwe ski-pakken al aangedaan en zaten daar met ons zessen uniform te zweten in de wagen. Er was iets mis met de verwarming en de nukkige wagen had autonoom beslist dat er alleen warme lucht geleverd werd. De chauffage werkte dus op volle toeren en onze vader kon niet tegen open ramen in de wagen want hij kreeg daar stekende koppijn van. Door de vochtige warmte vielen wij al dra in slaap en het moet al een uur of vier in de ochtend zijn geweest toen de motor het onverwachts liet afweten. We bevonden ons op dat moment op de Parijse périférique. En verdomd, we waren juist bijna een tunnel uit toen de wagen stilviel zodat we achterwaarts, eerst traag en dan steeds sneller, terug naar het diepste punt van het ondergrondse gleden. Gelukkig was er nauwelijks verkeer op dat ongoddelijk uur zodat erger kon vermeden worden. Iedereen werd wakker. ‘Zijn we’r al? Gaan we iets eten?’. Vader deed enkele vergeefse pogingen om de motor aan gang te krijgen maar moest vaststellen dat het kreng morsdood was. Hij stapte uit, schopte met een vloek tegen het karkas van de wagen en keek hulpeloos rond. Een schakelkast aan de muur van de tunnel trok zijn aandacht. Misschien kon je hiermee de wegenwacht roepen. Vader duwde eens op een groen knopje en luisterde ingespannen of er iets gebeurde. Na enkele seconden duwde hij op het rode knopje en spitste weer de oren. Er gebeurde… niets. Vader stelde een nieuw plan op. Hij zou wachten tot er een taxi voorbijkwam en zich naar een garage of naar een politiebureau laten voeren om daar hulp te vragen. Na een kwartier te hebben gewacht was er nog niet één wagen langs gekomen zodat de arme man zich zuchtend verplicht zag om te voet de Parijse kleine ring op te stappen. Hij was nog niet goed de tunnel uit of hij kwam reeds teruggelopen, drukte nog eens op de groene schakelaar en van de weeromstuit reden er plots weer wagens door de tunnel. Vader had in zijn onschuld de verkeerslichten op rood doen springen in plaats van het verhoopte hulpsignaal uit te sturen naar Touring Secours.

Het heeft even geduurd, maar er kwàm uiteindelijk een garagist, slechtgehumeurd omdat hij zo vroeg op de dag uit zijn bed was geschopt, om ons uit de nood te helpen. Wij inmiddels hadden het lange wachten op ons vader gebruikt om de frigobox eens te onderzoeken op eetbare dingen en zaten, rustig en voldaan in onze warme skipakken beschut tegen een koude noordooster, te kletsen en te leuteren. We lieten ons humeur niet bederven door deze kleine tegenslag. Over een paar uur wachtte ons immers een flinke dosis winterpret. Europech bestond nog niet en vader betaalde met een zuur gezicht de pervers hoge factuur voor het vervangen van de delco. Met nieuwe moed hervatten wij onze reis naar de Franse Alpen. Het was inmiddels dag en een lauwe motregen gooide een grijs watergordijn over het land.

We reden reeds drie kwartier op de snelweg, vijftig kilometer buiten Parijs, en we hadden net besloten om onze jodels nog wat te oefenen toen we opschrokken van een luide KRAK die ergens vanachter onder de wagen vandaan kwam. We zakten met ons allen dertig centimeter dieper en zagen door de achterruit vonken de weg opspatten. Vader dirigeerde met veel moeite het vehikel naar de pechstrook en stapte bleekjes uit. Een vluchtig onderzoek bracht duidelijkheid: onze Peugeot had er genoeg van, de wielen stonden in een hoek van vijfenveertig graden, de achteras was finaal gebroken. Er zat voor ons vader niks anders op dan naar de eerstvolgende pechpaal te sloffen, er tweemaal met zijn hoofd tegen te bonken en om hulp te roepen. Ik meen me te herinneren dat we héél lang hebben moeten wachten vooraleer er een takelwagen kwam die ons naar het dichtst bijzijnde dorp sleepte. Vader probeerde zich eerst nog wat op te peppen met de gedachte dat we gelukkig met een Franse wagen reden en dat we dus wel snel zouden kunnen geholpen worden, maar bij de aanblik van het dorp zonk de moed ons in de schoenen. We reden het naambord voorbij en alle kleur trok weg uit het land en dompelde ons in een wereld in grijswaarden. De sterre bleef stilstaan. We bevonden ons in Souppes-Sur-Loing. Eén hoofdstraat en twee zijstraten. Oh treurnis, oh deprimende, oh doodsheid, oh leegte van de leegste soort. Wat een gàt.

We werden in onze ski-pakken te vondeling gelegd in Le Terminus, een bar-tabac naast een half vervallen treinstationnetje, en vader ging naar de garage om te horen hoe de zaken ervoor stonden. We zagen hem een klein uurtje later met de kop in de grond naar onze taveerne slenteren. Hij hoefde eigenlijk niks te zeggen, zijn gezicht sprak voor zich. Ze hadden géén achteras voor een Peugeot 504 Break Familiale in voorraad. Ze moesten dat bestellen in Parijs, … maar het is Kerstavond, en morgen is het Kerstmis, en overmorgen is het zondag. Over drie dagen, als er tenminste geleverd wordt, kunnen ze eraan beginnen. ‘Maar we hebben geluk kinderen, hier is een hotel-restaurant. We moeten niet onder de bruggen slapen vannacht. Ik zal vandaar eens proberen bellen naar Max en Yvette om te zeggen dat ze niet op ons moeten wachten voor het avondeten.’

Hotel-restaurant La Tristesse had inderdaad nog kamers vrij. Eigenlijk waren àl hun kamers nog vrij, want op een Kerstavond zijn er meestal geen toeristen in Souppes-Sur-Loing. Onder het oog van de garagisten, die volgens mij hun lachen nauwelijks konden inhouden en voortdurend naar mekaar stonden te knipogen, werd de wagen uitgeladen. We sleurden de loodzware valiezen naar onze kamers en kleedden ons om. Onze ski-pakken waren in deze omstandigheid van geen nut meer. We voelden ons trouwens zo al genoeg bekeken als waren we een bende aan lager wal geraakte smurfen. Tja, wat doet een gestrand mens in het hol van Pluto om de tijd te doden? Op de middag iets gaan eten in de enige bistrot van het dorp, de hoofdstraat eens op- en afwandelen, proberen de hondendrollen op de stoep te vermijden, eens gaan kijken naar het riviertje La Loing vanop een stenen bruggetje, de hoofdstraat eens op- en afwandelen, een hondendrol van je schoenzool vegen, een pannenkoek gaan eten in de enige bistrot van het dorp, wat op bed gaan liggen, de hoofdstraat eens op- en afwandelen, rustig kijken naar de trein die voorbij rijdt, eens nadenken over wat we vanavond zouden kunnen eten in de enige bistrot van het dorp, de hoofdstraat eens op- en afwandelen, iets gaan drinken in Le Terminus, eens gaan kijken naar dat ijzeren kruis op die mooie betonnen sokkel aan het begin van het dorp.... Oh treurnis, oh deprimende, oh leegte van de leegste soort, oh oeverloze verveling. Vraag me niet hoe we die drie dagen zijn doorgekomen, hoe we Kerstmis hebben gevierd, hoe vaak we de hoofdstraat zijn op- en afgewandeld, hoe elk gesprek op den duur verstomde en we allemaal wezenloos voor ons uit zaten te staren, hoe de Loing traagzaam stroomde met een bedding gezwollen van de onophoudelijke motregen en de tranen die wij in haar uitstortten. Ik heb die herinneringen verbannen naar de diepste kerkers van mijn onderbewustzijn. Hoe dan ook, na duizend keer duizend jaar werd het eindelijk maandag. Het heeft nog tot een stuk na de middag geduurd eer de wagen weer rijvaardig was en we konden ontsnappen uit dat kil en troosteloos moeras Souppes-Sur-Loing genaamd. De factuur heeft wonden geslagen, dieper dan de Mont Blanc hoog is, maar we hebben onze neuzen naar het oosten gericht en zijn in stilte naar Chamonix gereden.

Immers, de Mont Blanc wachtte ons. Die machtigste reus der Alpen, 4800 meter hoog, met pieken als gotische torenspitsen, zijtoppen die luisteren naar namen als de Dome du Goûter of de Mont Maudit, eeuwige sneeuw en verraderlijke gletsjers met diepe kloven, een zon die je blind maakt als je niet oppast. Zoiets pàkt een mens, maakt nederig en klein. Onze verwachtingsvolle harten sprongen dan ook op bij de gedachte dat we onze geliefde berg naderden, op wiens flanken we zouden skiën, glijden en sneeuwpoppen maken, lekker ingeduffeld in onze splinternieuwe ski-pakken. We klommen met de wagen vanuit het dal naar omhoog, namen een paar aartsgevaarlijke haarspeldbochten, zagen wagens met ski’s op het dak gebonden, mensen met dikke laarzen,… We zijn er bijna, nog even, nog even. Eindelijk, eindelijk, kwamen we aan in een… natgeregend Chamonix. De Mont Blanc zat verborgen in een regenwolk tot op de grond. Van sneeuw geen spoor. Dat kon ook niet bij de uitzonderlijk zachte dagtemperaturen van 10 tot 12 graden.

Max en Yvette wachtten ons op met ogen die overliepen van medelijden. ‘Mon cher cousin’, zuchtten zij, ‘mon cher, cher cousin. Quelle affaire.’ Vader en moeder vertaalden hun jeremiades: ‘Dat het een zeer uitzonderlijke winter was, dat het in geen eeuw meer zo warm was geweest, dat er echter geen écht probleem was want dat de geoefende skiër boven de drieduizend meter zijn gangen kon gaan op de eeuwige sneeuw (die van slechte kwaliteit was, maar kom, we maken er het beste van), dat het misschien sneeuwt vannacht en we zullen in afwachting de hoofdstraat van Chamonix eens op- en afwandelen.’

Onze achternicht en -neef Isabelle en Olivier deden de volgende dag hun best om ons zo goed mogelijk op te vangen. Zij praatten honderduit in een voor ons onbegrijpelijke taal. ‘Teveu zjoe noe kwaske see?’ Wij begrepen er geen yota van en grepen noodgedwongen terug op het beproefde recept van zwijgen en schaapachtig lachen. Het heeft die nacht dus niet gesneeuwd maar Isabelle en Olivier hadden het geluk wél geoefende skiërs te zijn en verdwenen zich excuserend al vroeg naar de hoogste toppen van de alp om zich een hele dag uit te leven op de latten. Ons wachtte na een rit met de stoeltjeslift een duurbetaalde monitor om ons een initiatie te geven. In het Frans. ‘Balans talatte dessaa la ski’, zegde hij en liep bij gebrek aan respons onzerzijds na tien minuten gewoon weg. We probeerden het dan maar op eigen houtje, maar we zakten diep weg in de pappige sneeuw zodat we na een klein uurtje hevige frustratie kletsnat naar onze hotelkamer terugkeerden waar we de rest van de dag in ledigheid doorbrachten. Vader en moeder waren ook niet echt gebeten door het skiën, maar ze hadden deze reis voor het plezier van hun kinderen georganiseerd. Heel die daad van ouderlijke liefde, heel die mooie droom, viel kletterend in een diepe ravijn, zonder hoop op redding. We waren inmiddels vijf dagen later, van sneeuwpret was nog niets in huis gekomen, vaders bankrekening stond vér in het rood en Chamonix bleek een waanzinnig duur oord te zijn. Het was dus helemaal niet erg dat we ons in stilte bezighielden op onze hotelkamer, dat we geen skipasjes nodig hadden, dat we geen grote dorst hadden en dat er aangezien er geen “ski” was, er dus niet aan “après-ski” moest worden gedaan. Op deze wijze werd het 30 december.

Wat mezelf betreft, ik was achttien en had reeds lang tevoren plannen gemaakt om oudejaar thuis door te brengen met mijn beste vrieeeeeend. Ik had het zo geregeld dat ik wat eerder naar huis kon met de nachttrein Chamonix-Paris-Bruxelles.

Ik bevind me dus op een kruispunt in mijn verhaal en zal kort mijn eigen ervaringen vertellen om dan verslag te doen van het wedervaren van mijn gezinsleden die ik op een cruciaal moment aan hun lot overliet. Eigenlijk zou ik hier de pen moeten doorgeven aan mijn broers of aan mijn jongste zus aangezien zij de meest bevoorrechte getuigen zijn.

Ik nam de trein richting thuis. Er was iets misgelopen met de reservatie wat maakte dat ik geen zitplaats had, maar ach, ik was jong en maalde daar allemaal niet om. Ik installeerde me tussen de bagage en las mijn boek, gezeten op een valies. De uren kropen voorbij op het ritme van dezelfde eentonige kadans. Kedoenk, kedoenk, kedoenk… Ik denk zelfs dat ik een beetje heb geslapen. Niet erg diep, want ik werd wakker omdat de trein stilstond. ‘Parijs’, dacht ik, ‘ik moet overstappen’. Maar ik keek naar buiten en zag dat er sneeuw over het land lag. Het werd ook wel erg koud in de bagageruimte en ik was slechts gekleed in een jeans, lichte pull en mijn skivestje. Wat een verschil, te Chamonix was het zo warm geweest dat we onze jassen zelfs niet nodig hadden. Na een kwartier kwam de trein weer in beweging, om na tien minuten opnieuw tot stilstand te komen. Je gelooft het of je gelooft het niet, maar hoe verder we naar het noorden kwamen, hoe kouder het werd en hoe dikker de sneeuw opgetatst lag in de spoorwegbedding. De trein is uiteindelijk met veel vertraging in Paris-Nord aangekomen en met veel geluk vond ik aansluiting naar Brussel. Centimeter na centimeter heb ik de laatste driehonderd kilometer afgelegd, met veel stilstaan wegens bevroren wissels of een afgeknapte bovenleiding. Een kilometer of twee voor Brussel-Zuid kwam de trein finaal tot stilstand. De reizigers stapten dan maar uit en liepen het laatste stuk te voet over de sporen. Zo kwam er die dag op spoor 4 voor de eerste keer een menselijke trein, de valiezen in de hand, het onwezenlijk verlaten station binnengestapt.

Ik bibberde over heel mijn lijf, had het zo koud als een verloren gelopen Eskimo. Het vroor min vijftien vertelde iemand me. Ik kwam uit een skigebied van plus twaalf. En inderdaad, Brussel lag stil en wit, ontdaan van de normale verkeersstroom te wachten op Godot. De stad leek verstoken van alle menselijke aanwezigheid. Er reden geen treinen meer naar Asse maar ik had nog een keer geluk, want er was nog één dappere buschauffeur die de tocht naar het depot van Asse wilde maken en ik mocht mee. Ik ben totaal verkleumd thuisgekomen. Grootmoeder liet me binnen langs de voordeur want het slot van de achterdeur waarvan ik de sleutel bezat, was dichtgevroren. De sneeuw lag een halve meter hoog tegen de gevel. De winterpret bevond zich te Asse! Waren wij daarom die calvarie naar Chamonix aangegaan? Ik ontdooide mezelf in een warm bad en bracht de oudejaarsnacht door naast de open haard met het kijken naar domme films als Les Chinois à Paris. Uitgaan met die kou zat er niet meer in.

Mijn gezinsleden, die ik had achtergelaten in hun mondain skioord, zijn pas in de nacht van 1 op 2 januari thuisgeraakt. Volgens mijn broer vertrokken zij met veel gekus en ‘désolé pour le temps exceptionnellement doux, mon cher cousin’ terug huiswaarts in de ochtend van 1 januari. De relatie met onze Franse familieleden was een beetje gebrouilleerd geraakt door alle toestanden, en waarschijnlijk waren zij even blij ons te zien vetrekken als dat wij opgelucht waren dat we er vanaf waren. ‘Salut, à la bonheur en tot in de gloria’.

Het was dus op nieuwjaar eindelijk beginnen vriezen in de bergen wat maakte dat de kletsnatte weg van Chamonix naar het dal één ijspiste was geworden. Onze ouwe Peugot was niet uitgerust met winterbanden en voorzichtig en traag gleden zij naar beneden, maar eens in het dal was alles weer zijn gewone natte zelf en ging het vlot richting Parijs… tot het pak loden wolken dat het noorden teisterde, met een bijbelse furie hun witte buien loslieten. De snelweg sneeuwde in een mum helemaal dicht. Wagens gleden de berm in, kopstaartbotsten tegen mekaar of stonden stil aan de kant. Vader stopte en legde sneeuwkettingen om de wielen. Toen hij weer wilde verder rijden begaf de verwarming van de wagen het en stroomde er ijskoude lucht in de cabine. Er waren plots maar twee opties meer: verder rijden of ter plekke doodvriezen. Ze kozen voor het eerste, duffelden zich zo goed mogelijk in en ondergingen gelaten het gebeuren. Een bijkomend gevolg van het rijden zonder verwarming was dat de voorruit langs binnen aanvroor. Met een zichtbaarheid die toch al fel was afgenomen omwille van de myriaden dwarrelende sneeuwvlokken mag u dit rustig beschouwen als een bijkomende stressfactor. Moeder en vader trachtten zich te verwarmen middels wat lichaamsbeweging en krabden om de zoveel halve minuten het ijs van de binnenruiten om het prompt weer te zien aanvriezen.

Ik zou je niet precies kunnen zeggen hoe lang deze noordpoolervaring heeft geduurd, maar ik doe mijn hoed af voor het doorzettingsvermogen en de wilskracht van mijn familieleden. Ze zijn op één of andere wonderlijke manier thuisgeraakt en hebben geen blijvende letstels opgelopen aan hun avontuur. Het pijnlijkste moet nog het hoongelach van de tantes en nonkels zijn geweest toen vader en moeder bij het overbrengen van hun nieuwjaarswens het verhaal onverbloemd moesten opbiechten. Ik meen dat we begin 1979 onze ouwe Peugeot hebben ingeruild voor een splinternieuwe Ford 20M Berline. Een goudkleurige, omnium verzekerd.

Via dit formulier kan je me een persoonlijk berichtje sturen
Schrijf me in op de blog en stuur me een bericht als er een nieuwe brief is

Volg de blog via RSS Feed

Via RSS Feed kan je op de hoogte blijven van nieuwe posts in deze blog. In je browser installeer je hiervoor een kleine extensie. Voor Chrome bijvoorbeeld vind je die hier. Voor Safari kan je deze installeren, en voor Firefox heb je een keuze aan RSS Feeders via deze link.

2081 Chemin de Counillière
83149 Bras
France

© Hans Lengeler 2020
Update 2022
www.webdesign-prepress.com

Ik gebruik 1 cookie om het aantal lezers te meten. Okee?