Innsbruck 1975

De jachthut in Tirol

Geschreven door: | Gepost op: | Categorie:

Vrieeend,

Naar aanleiding van het verslag over onze heroïsche tocht naar Chamonix vroeg een familielid me hoe het ook alweer zat met die keer dat we een maand in een Oostenrijkse hut doorbrachten. Ik moet diep graven. Mijn geheugen gedraagt zich steeds vaker als een gekraste vinylplaat. De naald blijft hangen in de uitgesleten groeven van de te vaak gedraaide liedjes, slaat soms wat stukken over en springt zonder duidelijke aanleiding naar een volgend nummer. Maak zo maar eens een goeie mixtape. Volgend verhaal is dus slechts een impressie van een familievakantie die we midden de jaren zeventig maakten en is derhalve onvolledig. Het decor: Tirol, Oostenrijk en alle mogelijke clichés die je hierbij kan bedenken: wandelstokken, hoedjes met pluimen, kniebroeken en bergschoenen, billenkletsende volksdansers, melkproducten…

Om het even te kaderen, we zitten met ons verhaal in het post-hippietijdperk en de pre-punkperiode. Het scharniermoment van “Mei 68” lag reeds enige jaren àchter ons maar werkte nog duidelijk door in een samenleving die enerzijds op zoek was naar alternatieven terwijl er ook een deel van de bevolking zich hard inspande om alles te behouden zoals kerk en staat het voorschreven. Een conflictueuze tijd, niks nieuws onder de zon.

We waren met vijf broers en zussen. Mijn oudste zus was zeventien, mijn jongste zus vierenhalf. Daartussen een jongetje van vijftien (ik), eentje van elf en eentje van negen. Allemaal hadden we lang haar tot op onze schouders, droegen we broeken met olifantenpijpen en werden we in ons dorp door sommigen een beetje scheef bekeken wegens niet echt conform de heersende normen van de jaren vijftig die er nog sterk speelden en waar de helft van Vlaanderen schijnbaar vandaag met nostalgie naar terugverlangt in de hoop daar de oplossingen te vinden voor de uitdagingen van vandaag.

De “seventies” waren mijn wonderjaren, ik dacht toen nog dat de wereld redelijk eenvoudig ineen zat. Elk mens heeft recht op een tijd van zorgeloosheid, een tijd waarin je onverantwoorde dingen kan doen en waar het je ouders zijn die de scherven van je onbezonnen daden opruimen. Hoe heerlijk makkelijk toch. Ik kan het iedereen aanraden.

De Alpen

De Alpen oefenden in die jaren een grote aantrekkingskracht uit op mijn ouders, wat maakte dat we daar een keer of wat onze zomervakanties doorbrachten. Zij moeten ongetwijfeld hun redenen hebben gehad om hun vijf kinderen de bergen in te jagen. Was het de gezonde lucht? Wilden ze het dreigement om ons verkopen aan Boheemse Zigeuners hard maken telkens we ongehoorzaam waren? Had het meer te maken met aardse zaken zoals de wisselkoers van de Oostenrijkse shilling die het in de jaren zeventig niet haalde van de sterkere Belgische munt? Hoe dan ook, de redenen voor hun keuze zijn niet echt belangrijk voor dit verhaal.

Vader, moeder en hun kroost planden dus een reis naar Oostenrijk. Onder het motto “Terug naar de natuur” werd gekozen voor een verblijf in een blokhut in een vergeten bos op de flank van een haast onvindbare achteraf gelegen uitloper van een uitloper van een zijvallei van een zijvallei in de buurt van het drielandenpunt Oostenrijk-Slovenië-Hongarije. Het zal wel niet zó ver weg geweest zijn maar het was in elk geval een plek waar niemand anders heen wou en waar je in de afgelegen, onder eeuwige sneeuw bedolven dorpen tot op die dag ongewassen schele kinderen met varkensstaarten tegenkwam en waar iedereen familie was van iedereen. Hét grote pluspunt? De streek was belachelijk goedkoop. Achteraf bekeken bleek dat het énige pluspunt want er was, afgezien van de onbarmhartige rauwheid van de natuur,…niets!

Via een misleidende aankondiging in het blad van de Bond van Grote Gezinnen, waarop wij met ons gezin van zeven automatisch geabonneerd waren, lokten Herr und Frau Wuhlwasser aus Tirol mijn vader en moeder in een slinkse val. “Rüstieke und authentische jagdhütte mit Auszicht auf die intakten Tirolischen Alpen. Schlafkomfort für 7, möglich 8 Personen, Küche, Sanitair, Wohnplatz, Terrasse und Liegewiese für die Kinder. Straumende Bergbachen, saubere Bergenluft, schöne Spasierungen zu machen in die Nähe. Fur kein Geld. Telegrafieren nach A. Wuhlwasser mit vermeldung des Referentien 000.003. Wie nicht ernstig, sich enthalten.” Deze hersenspinsels misten hun effect niet. Aldra droomden wij over jachtpartijen in een ongerept berggebied. Leefde daar immers niet de gems, het damhert, de berggeit, de woelmuis? In sommige streken van het oude Europa vindt men toch nog de oeros, de oorspronkelijke buffel die tijdens barre winters belaagd wordt door hele roedels zwarte volven? Ginds heerste toch die authentieke sfeer die wij in ons eigen overbevolkte en vervuilde land reeds lang waren kwijtgeraakt? Wij móesten daar eenvoudigweg heen. Zonder twijfels, zonder vragen, met een open en verwachtingsvolle geest. Niet om te jagen, maar om ons te wentelen in een dimensie die wij nergens anders zouden vinden. Op zoek naar verloren gewaande Kaukasische roots. Naar oorden waar beren dansen, opgezweept door de hete klezmer van een zigeunerbaron met Wienerbloed in de aderen. En dat alles “fur kein Geld”! We hadden onze vakantiebestemming gevonden. En kom, we maken er meteen een maand van. Vader schreef een brief naar A. Wuhlwasser en betaalde een voorschot.

Belgische franken transformeerden via een omweg langs het bankkantoor in Oostenrijkse shillingen, bananendozen werden gevuld en op het bagagerek van onze ouwe zilvergrijze Ford Break gebonden, de frigobox werd aan moeders voeten geplaatst... En toen was het zover en vertrokken wij met zevenen in een veel te kleine wagen naar het Rijk van het Oosten, waar dirndls en lederhosen slechts aan het oog onttrokken worden door de groene lodenjas die er overheen gedragen wordt. Schön ist es auf die Welt zu zein. De rit duurde, zoals steeds, lang want de bergen waren hoog en de bochten scherp als haarspelden. De details van die lange dag doen niets ter zake. Onthoud slechts dat het van in Duitsland al regende, miezerde en zeikte zonder ophouden. De laatste dertig kilometer moest iedereen meehelpen want de handgeschreven wegbeschrijving die wij per kerende hadden ontvangen was in een summier Duits dialect opgesteld. We begonnen aan de laatste steile klim vanuit een zijdal, we verlieten de bewoonde wereld langs het laatste dorp waar nog een telegraafverbinding was, we waagden ons over een gammele, met fluorescerend mos overwoekerde houten brug en moesten toen volgens de instructies de bochten beginnen tellen. Toen telden we duizend sparren af, moesten we drie slagbomen voorbij en daarna moesten we uitkijken naar een kleine verbreding in de weg waar we de wagen konden achterlaten en waar een pad begon dat aangeduid was met rode verfvlekken op stenen en rotsen, en dat langs een levensgevaarlijke kloof naar onze honderd meter hoger gelegen rustieke jachthut leidde. Ik zei het reeds, het regende. En het liep al tegen middernacht toen wij, uitgehongerd, de wegverbreding eindelijk vonden.

De hut

Wij stapten uit. Moeder bedeelde de zaklampen en de overlevingspakketten, zocht in haar sacoche naar de verroeste sleutel die ons met de brief was toegestuurd en we begaven ons, beladen met wat we konden dragen, op het inktzwarte modderige pad. In de verte hoorden we wolven huilen. Of was het een eenzame herder die vanuit zijn afgelegen grot een jammerlijke jodel ten beste gaf? We wisten het niet, maar het geluid schonk ons geen vertrouwen. We klommen in het donker door een bedompt en druipend sparrenbos steeds hoger de berg op. We sprongen dan eens over een miezerig beekje, dan eens over een traag naar beneden glijdende stinkende bruine brij, en vonden na een halsbrekende tocht onze jachthut die half verscholen lag onder een laaghangende wolk, flauw belicht door een waterige maan. Op de tast zochten wij naar de ingang, vonden het sleutelgat en konden eindelijk schuilen voor de nimmer aflatende regen. Op de tafel vonden we een brief met gebruiksaanwijzingen. Hoe je de kachel diende aan te steken -want die vertoonde al eens kuren- en waar de olielampen stonden want “es gibt kein elektricität”. Vader werd gesommeerd om vuur te stoken en daarna de rest van de bagage te gaan halen, wat neerkwam op acht keer de tocht op en neer naar de wagen eer alle loodzware bananendozen ter plaatse waren. Ik heb nog steeds bewondering voor die krachttoer, want op sommige plekken klom je twee stappen steil naar omhoog om meteen weer drie stappen naar beneden te glijden in de drab. En dat midden in de nacht na duizend kilometer te hebben gereden met een zwaar beladen wagen, hijgend als een astmatisch paard, met een doorweekte kartonnen doos in je armen en een zaklamp tussen je tanden geklemd. Acht keer op en af. Aber, er hat jedenfalls nie kapituliert.

We sliepen die nacht in klamme bedden, klappertandend en hoestend van de rookontwikkeling die het vochtige hout in de versleten speksteenkachel teweegbracht en die door kieren en scheuren onze kamers binnendrong. Maar god schiep een nieuwe dag en in kinderlijke verwondering konden wij bij grijs daglicht eindelijk op onderzoek naar de geheimen van onze authentieke jachthut. Wij stelden een beetje teleurgesteld vast dat onze vakantiewoonst verdacht veel leek op ons tuinhuis, maar dan groter en met twee verdiepingen. Een badkamer was er niet, wat niemand verwonderde. Een echte jager moet één zijn met de natuur, bijgevolg is zich te vaak wassen uit den boze. De geur van zeep en after-shave zou het wild kunnen wegjagen, of op zijn minst de positie van de jager verraden. Neen, buiten, naast het huis, stond een uitgeholde boomstam waarin men vernuftig het afgetapte water uit de gletsjerbeek liet stromen. Het was, zo verzekerde ons de brief met gebruiksaanwijzingen, ondanks zeer koud toch drinkbaar en gezond water, geschikt om mee te koken en om zich mee te reinigen. Elektriciteit was er zoals gezegd ook niet, wat meteen het probleem oploste van radio’s en cassettespelertjes. Muziek zit er voldoende in de natuur. Luister naar de stromende bergbeek, het klaterende water in de uitgeholde boomstam, de bellen van de koeien die op gindse alm staan te grazen, het ruisen van de wind, het vallen van de dennenappel op de humuslaag, de vlucht van de honingbij tijdens haar nooit aflatende zoektocht naar nectar, het schreeuwen van de arend -de machtigste koning van storm en van wind-, het zoemen van de paardenvliegen die in groten getale rond het huis leefden, het gekraak van het houten gebinte onder de aanvallen van de termieten, het jammerlijke wenen in de verte van een mishandeld scheel kind met een varkensstaart, de donderslag die honderdvoudig weerkaatst tegen de bergwanden, het gekletter van de regen op de houten dakspaanders, het rollen van een steen die de belofte van een nakende lawine in zich draagt... Muziek is overal. En licht maak je met kaarsen en de paar aanwezige petroleumlampen wiens stank de muggen buiten houdt. Een Alpenjager is geen mietje en houdt zich verre van al die nieuwerwetse stadsmaniertjes. Eén met de natuur!

De latrine was binnenshuis geplaatst, naast de keuken, wat een voor- en een nadeel was. De eerste aanblik riep beelden op uit lang vervlogen tijden: een houten plank met een gat erin, afgesloten met een houten deksel. Wie de moed had, of door noodzaak verplicht werd, om het deksel te lichten zag onderin een gistende brij die door een open gat langzaam de berg afgleed. Het werd ons nu duidelijk waar de stinkende bruine stroom vandaan kwam die we op het pad naar de wagen moesten oversteken. Het bleek tevens de biotoop te zijn van een massale kolonie strontvliegen, die er naar hartenlust hun maden in grootbrachten die op hun beurt als voedsel dienden voor een familie padden die er langzaam vet en traag van werd. De keuken bood dan weer uitzicht op verre bergen, zeker als er geen wolken bleven hangen tussen de pieken, wat maar zelden het geval was. Maar het compenseerde enigszins de te nabije aanwezigheid van onze cloaca.

Na ongeveer één uur reeds hadden wij alle geheimen van onze authentieke jachthut tot op het bot doorgrond en sloeg de verveling toe, afgesneden als wij daar zaten. Het besef dat wij daar nog negen en twintig dagen moesten blijven had een verpletterend effect op ons humeur. Rond het middaguur brak de zon door en redde ons van een onpeilbare depressie. Wij konden nu buiten, de Liegewiese verkennen. Moeder verklaarde dat Liegewiese ‘ligweide’ betekende, en dat was dan ook exact wat je daar kon doen: liggen. Iemand kwam op het idee om ons in onze slaapzakken de helling te laten afrollen. Elke afleiding, hoe stom ook, werd met vreugdekreten ontvangen en drie minuten later rolden wij, elk in onze eigen slaapzak, naar beneden. Niemand had echter rekening gehouden met de vele koeienvlaaien die in het hoge gras verscholen lagen. Het effect op onze slaapzakken was even voorspelbaar als het effect op moeders gemoed en voor de rest van de dag hebben wij braaf alle meegebrachte stripverhalen uitgelezen.

Om het wild niet te doen opschrikken had men de jachthut tegen de noordflank van de berg gebouwd zodat wij haast nooit de zon zagen. Rond vijf uur in de namiddag hadden wij wel een heel mooi uitzicht op de bergen voor ons, die purper kleurden onder een late zon, bij ons was het dan al haast pikdonker en viel de nacht in. Na het vroege avondmaal vertelde moeder, ongetwijfeld geïnspireerd door de authentieke sfeer waarin we vanaf nu leefden, verhalen over het verloren gegane werelddeel Mu dat veel ouder was dan Atlantis. Zij las ons voor uit het Egyptische Dodenboek en sprak zonder het zelf te beseffen urenlang in het voor ons onverstaanbare Sanskriet over gebeurtenissen die ouder waren dan het leven zelf, hoe de goden kosmonauten waren en de aarde ooit bevolkt was door halfengelen die zich vermengden met wezens die afkomstig waren uit verre sterrenstelsels, hoe Rudolf Steiner kennis aftapte uit de akashakronieken en astrale oorlogen voerde tegen de machten van het kwaad en dat de honingbij een geschenk was van de planeet Venus en om die reden met haar zusters communiceerde via het wiskundige oergetal pi dat zij vertaalden in een geometrische dans. 

Deze verhalen, onze oeverloze eenzame verveling, de zuurstofrijke lucht die wij inademden en het bergwater dat wij dronken en dat van een dusdanige zuiverheid was dat wij er allemaal de koude pis van kregen, maakte dat wij na een week innerlijk ontwricht raakten en de dagen hallucinerend doorbrachten. Ik werd in mijn delirium ‘s nachts bezocht door wezens die uit vliegende schotels van over de bergkam kwamen aangevlogen, ik werd meegevoerd door halfengelen die mijn bloed mengden met het bloed van halfreuzen en zo een nieuwe mensensoort creëerden terwijl ik schreeuwde en riep dat ik nog maar vijftien jaar oud was en mijn bloed zelf nodig had. Mijn oudste zus, die tien centimeter boven de grond zweefde, had de gewoonte aangenomen om mijn jongste zusje elke dag in een andere kleur te schilderen zodat wij haar meermaals kwijtraakten omdat zij haast oploste in het decorum of ondersteboven in de latrine ging hangen. Mijn jongste broer liep van ‘s morgens tot ‘s avonds rond in een rode dirndl en danste bergpolka’s terwijl hij zichzelf begeleidde op een lege bananendoos. Mijn andere broer stond uren in het gletsjerwater tot zijn voeten twee ijsklompen waren zodat hij met een Brits flegma door de stroom stront kon schaatsen zonder hinder te ondervinden van remmende wrijvingen. Moeder brouwde soep met zelf geplukte paddenstoelen en verkondigde het einde van de wereld terwijl zij leviteerde. Op den duur rukten wij de nestels uit onze schoenen, alleen maar om ze er terug te kunnen insteken en probeerden wij wormen te doden door er onze gerichte fluimen op te spukken. En het regende maar door. Op een dag was het zelfs zo vochtig dat er vissen door het gras naar boven kwamen gezwommen, aangelokt door de valse beloftes van Ahasverus, de Wandelende Jood, die toendertijd de Oostenrijkers een geweten kwam schoppen en zich schuilhield in het bos achter onze hut.

De enige die vanuit een vorm van laag-sensitiviteit nergens last van had, was vader. Hij had zijn romans van John Le Carré uitgelezen en besloot net om opnieuw deel te nemen aan het gezinsleven toen hij merkte dat hij moest ingrijpen. ‘Kinderen’, sprak hij, ‘morgen gaan we naar Innsbruck’. Dit vooruitzicht bracht ons meteen terug naar de realiteit en wij ontwaakten net op tijd uit onze betoverde fantasiewereld.

Innsbruck

We daalden de volgende dag af naar het dal en ontdekten dat er nog steeds een wereld bestond waar koekoeksklokken de orde van de dag bepaalden en waar een zekere vorm van beschaving had weten stand te houden. Innsbruck lokte ons de middeleeuwen in en verleidde ons met huizen in vakwerk, met schitterende winkels vol taarten, speelgoed en suikerbollen. De bewoners waren strakke welopgevoede mensen die zoete witte wijn dronken uit versierde glazen of mannelijke buiken kweekten middels flauw bier uit stenen pullen die men kon afsluiten met een tinnen deksel. In de straten reden zelfs wat schaarse wagens van Duitse merken. We wisten niet waar eerst te kijken, werden nonchalant en overmoedig door deze vele prikkels en verlieten het gelid. Na een week in de wildernis en de duisternis van onze jachthut te hebben geleefd, verblindde het Neues Hof, met zijn gouden dak, onze ogen. En toen sloeg het noodlot toe. Moeder telde om de paar minuten onze koppen… en telde ze opnieuw. Ze kwam niet verder dan vier. Mijn jongste broer, ongetwijfeld verleid door de zoete geur van de stadse geneugten, was zijn eigen weg gegaan en had ons gezin verlaten. 

Moeder bevroor ter plekke en gaf geen enkel geluid meer. Het was enkel te danken aan het aanmaken van een intense dosis adrenaline dat haar lichaam haar longen het bevel gaf om opnieuw te beginnen ademen. Wat haar nog restte van haar kroost werd verzocht om niet meer te bewegen en vader werd de straat opgestuurd om naar zijn jongste zoon te gaan zoeken. Moeder ijsbeerde in een kringetje rondom ons, bang om nóg meer kostbaars te verliezen. Ze prevelde mantra’s zelfverwijt en nam de schuld voor dit onheil op zich. ‘Had ik maar…’. Haar emoties sprongen op ons over en wij kleefden ons vast aan elkaar, bang om in dat onzalige Innsbruck onze gezinscluster uit elkaar te zien vallen.

Vader keerde terug. Onverrichterzake. Hij trok op zijn beurt de wacht op bij zijn versteende kinderen en moeder snelde de stad in, sporen zoekend, snuffelend aan straatstenen, dan weer haar neus in de wind stekend. Ook zij raakte de richting bijster en keerde noodgedwongen terug naar het achtergebleven nest. Maar onze moeder was geen doetje als het erop aankwam en kon, eens de leeuwin in haar wakker werd, heel slagvaardig en gericht uit de hoek komen. ‘Naar de politie’, zegde ze, ‘we moeten dit nu meteen aangeven en een zoekactie opzetten’.  

Het politiekantoor was maar een blokje verder en terwijl wij samen met moeder buiten op de stoep werden geparkeerd, snelde vader met twee trappen tegelijk naar boven. In gedachten oefende hij reeds de Duitse zinnetjes die hij zou opzeggen en hield zijn paspoort klaar ter identificatie. Hij gooide de deur open… en keek recht in de ogen van zijn zoon die, gezeten op de toog van het kantoortje, rustig en voldaan een ijsje zat te smullen. Een vrolijke politieman keuvelde met mijn broer die hem antwoordde in een zelfverzonnen Duits. ‘Ich woon in eine jachthutte en mache muziek op eine bananendoze.’

Mijn dappere broertje was ons kwijtgeraakt, had beseft dat de tijd om zijn eigen pad te volgen nog niet was gekomen en had staan roepen en brullen op straat. ‘Vake, moeke, Vati, Mutti! Euh, euh, de gebroeders Grimm! Mozart! Strauss! Bach! Kraftwerk! Ich bin verloren gelopen!’. Een vriendelijke agent had hem opgemerkt en hem gekalmeerd met een ijsje, in het volle vertrouwen dat elke ouder met een beetje verstand vroeg of laat naar de politie stapt wanneer één van hun kinderen verdwijnt. 

Onze collectieve opluchting was groot en werd gevierd met wienerschnitzels en sachertorte. Om ons verder te belonen bezochten we een paar dagen later de ongemeen boeiende interessante en zeer leerrijke fascinerende versteld doen staande aura-reinigende shakra-openende geestverruimende zoutmijnen van Salzburg (het was er berekoud maar we waren tenminste eens een uurtje uit de regen). Ik herinner me ook nog dat boottochtje op dat meer waarbij die blinde passagier iedereen wou bedanken met een jodelconcert voor de onvergetelijke ervaring die hij had gekregen… zoiets laat je nooit meer los. Zijn jodels weerkaatsten duizendmaal tussen de bergen en de forellen kwamen verdoofd bovendrijven. Onze moeder gaf ons elk een Dafalgan na afloop van het concert maar de tinnitus die ik toen opliep heeft me nooit meer helemaal verlaten… Ook maakten we ritjes met de wagen langs slingerende bergweggetjes. Het zicht op het majestueuze landschap werd meestal onttrokken door kilometers en kilometers deprimerende sparrenbossen, maar het idee dat er voorbij die donkere naaldenmuur bergen waren, maakte veel goed. Zegde ik reeds dat het vaak regende die maand? Het regende vaak die maand.

Het jaar daarop brachten we onze vakantie mediterend door in een mistige Schotse hippiecommune en nog een jaar later woonden we een tijdje in een commune in de Pyreneeën. Misschien werd in die Tiroolse jachthut in de zomer van 1975 wel de kiem gelegd voor de spirituele fase waarin onze moeder uiteindelijk verdwaalde tot ze op een dag volledig oploste in een licht waarin ze voorgoed verdween en we haar nooit meer terugzagen.

Maar zíj was het die ons toonde dat je alles mag onderzoeken en het nieuwe mag omarmen, dat het leven grootser is dan de afmetingen van je huiskamer of de kleur van je huid, dat jouw kinderen geen klonen zijn van jezelf maar unieke wezens die zijn samengesteld uit het genetisch materiaal van honderden miljoenen voorouders, dat de bron van het leven begint bij de oerknal, dat de autoritaire partij in wezen de zwakke is, dat verbeelding een krachtig iets kan zijn, dat je alles mag in vraag stellen omdat “het denken” vrij is, dat “zijn” belangrijker is dan “hebben”, dat een moedig mens kan sterven en worden herboren… 

Wij leerden op die dag in Innsbruck dat je opnieuw kan worden gevonden, ook al loop je al eens verloren in het leven.

Het is wat. Soms.

Via dit formulier kan je me een persoonlijk berichtje sturen
Schrijf me in op de blog en stuur me een bericht als er een nieuwe brief is

Volg de blog via RSS Feed

Via RSS Feed kan je op de hoogte blijven van nieuwe posts in deze blog. In je browser installeer je hiervoor een kleine extensie. Voor Chrome bijvoorbeeld vind je die hier. Voor Safari kan je deze installeren, en voor Firefox heb je een keuze aan RSS Feeders via deze link.

2081 Chemin de Counillière
83149 Bras
France

© Hans Lengeler 2020
Update 2022
www.webdesign-prepress.com

Ik gebruik 1 cookie om het aantal lezers te meten. Okee?